Marjolein Knuit

Mediawijsheid op school

Van vrijblijvend naar verplicht

Afkickklinieken voor gameverslaafden; psychiatrische hulp voor kleuters met een pornofetisj door internet: nieuwe media hebben heel wat teweeg gebracht in de samenleving. Educatie over deze media staat echter op een laag pitje, terwijl vooral jongeren non-stop online zijn op MSN, hyves en World of Warcraft. Initiatieven om jongeren te helpen mediawijs te worden zijn versnipperd en vrijblijvend. In mijn mastereindwerkstuk pleit ik daarom voor een andere benadering: het integreren van mediawijsheid in de schoolvakken.

Wat media met jongeren doen, is lang niet zo belangrijk als wat jongeren met media doen. Terwijl in de vorige eeuw media-educatie vooral gericht was op het beschermen van de jeugd tegen de verderfelijke invloeden van film en televisie, stelde de Raad voor Cultuur in 2005 een andere aanpak voor. Met mediawijsheid introduceerde de Raad een actieve en gelaagde benadering van media-educatie, die past in de huidige mediatrends: het laten gelden van je persoonlijke stem, op weblogs, Youtube, sms of andere media.

De media waar jongeren zich zo intensief mee bezighouden zijn uiterst open van aard: games, videosites en blogs nodigen uit tot participatie en constructie. Deze mentaliteit is breed geworteld onder jongeren maar vindt nog onvoldoende weerklank in het onderwijs. Games en andere nieuwe media worden mondjesmaat toegelaten in de klas, en vaak op instructionistische wijze.

Maatschappijbreed
De Raad voor Cultuur stelt daarom voor van mediawijsheid maatschappijbreed een issue te maken: niet alleen het onderwijs, maar ook de overheid en de zorg dienen mediawijsheid te faciliteren. Voor het onderwijs heeft de Raad echter weinig concrete plannen: het invoeren van een geheel nieuw vak ziet de Raad niet zitten, evenmin als het vastleggen van mediawijsheid in de eindtermen voor het onderwijs, hoewel GroenLinks dit juist wil verplichten.

Huidige initiatieven op het gebied van mediawijsheid beperken zich tot eenmalige events zoals de educatieve arrangementen van Beeld en Geluid, Krant in de klas en Kennisnet. Deze bestaan bijvoorbeeld uit het zelf in elkaar zetten van reclames, soaps, nieuwsreportages en reflecterende activiteiten, zodat jongeren in de gaten krijgen hoe media werken en welke positie zij ten opzichte daarvan innemen. Leraren en ouders moeten deze zelf opzoeken, een standaard onderdeel van het lesprogramma of opvoeding is het meestal niet.

De mogelijkheden daarvoor zijn er echter wel. De Raad voor Cultuur maakt een heldere onderverdeling van mediawijsheid in drie competenties: kennis, vaardigheden en mentaliteit. In de eerste plaats is het belangrijk dat jongeren weten wat media zijn, wat hun geschiedenis is en hoe het Nederlandse medialandschap eruitziet. Ook moeten ze hiermee in praktische zin overweg kunnen: dit is doorgaans al wel het geval, aangezien jongeren soms handiger met ICT zijn dan hun ouders. Onderwijs op dit gebied dient dan ook voornamelijk facilitair van aard te zijn. Als laatste zouden jongeren zich bewust moeten worden van de mogelijkheden van de media en hier een gezonde houding tegenover ontwikkelen.

Deze drie onderdelen worden door de huidige eindtermen nauwelijks gedekt, terwijl het vastleggen van richtlijnen juist belangrijk is bij het stimuleren van mediawijsheid op school. De Raad constateert echter dat de vakken Maatschappijleer, Nederlands en CKV het vaakst worden gebruikt voor sporadische mediawijze initiatieven. Hetzelfde geldt voor Beeld en Geluid, waarbij de meeste educatieve bezoeken in het kader van een van deze vakken plaatsvinden.

Doelgericht
Het is daarom een logische stap om juist deze drie vakken in te richten naar de drie competenties voor mediawijsheid van de Raad voor Cultuur. En wel zodanig dat bij Nederlands het kennisgedeelte aan bod komt, bij CKV de vaardigheden en bij Maatschappijleer de mentaliteit. Op die manier wordt mediawijsheid doelgericht ondergebracht bij een vakgebied waar het hoort en wordt het voor docenten vanzelfsprekend mediawijsheid onderdeel van het programma te maken.

Dit is echter niet het idee van de Raad voor Cultuur, die juist wil vasthouden aan het vakoverstijgende karakter van mediawijsheid. Dit sluit wel weer goed aan bij de principes van het ‘nieuwe leren’ maar voordat deze methode op alle Nederlandse scholen met gejuich wordt ontvangen, is de volgende ‘digitale revolutie’ al aan de gang. Aan verplichtingen met betrekking tot mediawijsheid kan het huidige onderwijs dus eigenlijk niet ontkomen.

Mediawijsheid biedt in ieder geval voldoende aanknopingspunten voor het onderwijs, als de vrijblijvendheid er maar vanaf is. En of dat nu kan worden opgelost door Nederlands, Maatschappijleer en CKV erbij te betrekken of andere vakken, is van ondergeschikt belang. Mediawijsheid dient hoe dan ook gecentraliseerd te worden, zodat het binnen afzienbare tijd met stip binnenkomt op de lijst met eindtermen voor het voortgezet onderwijs.

Geef je reactie