Marjolein Knuit

Van platte uitdrukkingen tot zakelijke nietszeggers

Paulien Cornelisse ziet overal creatief taalgebruik

Het is moeilijk om over taal te schrijven zonder te vervallen in pessimistisch geneuzel over taalverloedering en andere taalonderwerpen waar mensen graag op afgeven. Paul Cornelisse laat met haar boek ‘Taal is zeg maar echt mijn ding’ zien dat taal in de eerste plaats springlevend is, en veel zegt over de mensen die het gebruiken. Het resultaat is een verzameling scherpe columns over taalgebruik waar je eigenlijk nooit bij stilstaat, maar dat niet meer weg te denken is uit onze communicatie. Zeg maar.

Mensen zeggen zelden wat ze bedoelen. Als er tijdens een vergadering gevraagd wordt ‘mag ik eerlijk zijn?’ weet je dat jouw voorstel helemaal afgebrand zal worden. En dat de spreker niet verwacht dat er iemand opstaat die gaat zeggen ‘nou, eigenlijk niet’. En zo zijn er nog veel meer uitdrukkingen die niets zeggen, maar die alleen gebruikt worden omdat ze de boel zo lekker opvullen. ‘In die zin’ bijvoorbeeld, en ‘wat ik wél vond’, als je iets volkomen kut vond.

De kinderen-voor-kinderen-r
Cornelisse weet haar ideeën over zulk taalgebruik te verpakken in een originele stukjes waar je altijd wel iets in herkent. De collega die het nodig vindt ‘zeg maar’ achter al zijn zinnen te plakken bijvoorbeeld. Haar columns geven geen antwoord op existentiële levensvragen als ‘waar komt de kinderen-voor-kinderen-r vandaan?’ maar de manier waarop ze erover schrijft zorgt voor een aha-erlebnis an sich.

Het is knap en buitengewoon vermakelijk om te lezen hoe Cornelisse over de meest platte taaluitdrukkingen schrijft alsof het de troonrede van de koningin is. De meeste vrouwen ergeren zich dood als ze door dronken mannen worden nageroepen met ‘daaaar moooeeet een piemel in!’. Cornelisse ziet daar eerder een leuk stukje creatief taalgebruik in: “het woord ‘daar’ laat in het midden wat er eigenlijk precies moet gebeuren met die piemel. ‘Daar’ verwijst naar de vrouw als geheel, waar een willekeurige opening in gezocht moet worden. Een holistische benadering”.

Veelzijdig en grappig
Als je het zo bekijkt zijn er boeken vol te schrijven over het merkwaardige taalgebruik van Nederlanders. Cornelisse laat zien dat dit overal voorkomt, onder accountmanagers net zoveel als onder bouwvakkers en huisvrouwen en in sociale aangelegenheden net zoveel als in zakelijke. Die benadering zorgt voor een veelzijdig en afwisselende toon en grappige voorbeelden en situaties.

De columns worden hier en daar opgeleukt (nog zo’n woord waar Cornelisse graag over schrijft) door kleine tekeningetjes en quotes. Veel toegevoegde waarde hebben ze niet, ook omdat je niet weet waar deze quotes vandaan komen. De columns zelf lezen als een trein, zijn grappig en herkenbaar. Geen enkele column is hetzelfde en Cornelisse weet met verrassende voorbeelden en openingszinnen de lezer continu geboeid te houden.

Toegankelijk
En die lezer, die hoeft niet per se gymnasium gedaan te hebben, lijkt Cornelisse te willen zeggen. Iedereen gebruikt taal en daarom moet een boekje over taal ook voor iedereen toegankelijk zijn. Cornelisse wil daarom het hele boek wel erg graag laten merken dat ze taalverloedering een vies woord vindt en dat ze het echt, helemaal, serieus, absoluut, gewoon, echt, helemaal niet erg vindt als mensen ‘groter als mij’ zeggen in plaats van ‘groter dan ik’. Uit de mond van een vrouw die meer dan 200 pagina’s kan vullen met door haar opgemerkte taalfouten en -verschijnselen klinkt dat niet erg geloofwaardig.

Geef je reactie