augustus29
Ik
ben niet zo goed in conversation starters, maar als iemand mij bij wijze van voorstelrondje vraagt waar ik van hou, weet ik het wel: ik hou van taal. Maar het vervelende is dat dat zo truttig klinkt. Het klinkt als saaie pieten met alle edities van de Van Dale in de kast die anderen de hele tijd verbeteren (nee, het is ‘beter dan’, niet ‘beter als!’) of die hun taalfrustraties uiten op websites als www.meldpunttaal.nl. Terwijl ik het gewoon interessant vind hoe je met een komma de betekenis van een hele zin kunt veranderen en wat de juiste manier is om het werkwoord ‘updaten’ te vervoegen. Oké, en dat ik elk jaar met een schrijfblok op schoot en een pen in de aanslag voor de tv zit voor het Groot dictee der Nederlandse taal zeg ik er voor het gemak maar even niet bij.
Maar tegen die tijd is je kersverse gesprekspartner al lang afgehaakt. Bovendien is taal van iedereen en dus geen exclusief terrein van de taalliefhebber, in tegenstelling tot bijvoorbeeld de golden retrieverliefhebber of de computernerd. Terwijl ik wel degelijk meer van taal weet dan de gemiddelde golden retrieverliefhebber. Ik zou er bij wijze van spreken zelfs een boek over kunnen schrijven en dat dan ‘Taal is zeg maar echt mijn ding’ noemen.
Wat het daarentegen altijd goed doet in een kennismakingsgesprek, is zeggen dat je van reizen houdt. Niet iedereen houdt van reizen, maar iedereen houdt van mensen die van reizen houden. Reizen, dat klinkt als met een backpack op je rug exotische gerechten uitproberen aan de kant van de weg bij locals in Peru. Terwijl het eigenlijke reizen bestaat uit 14 uur in een krappe vliegtuigstoel zitten. Maar het levert wel leuke verhalen op, waarmee mensen die van reizen houden zich graag populair maken op feestjes en borrels. Read the rest of this entry »
juli15
De Amerikanen hebben leuke manieren om hun enthousiasme te laten blijken. In televisieprogramma’s roepen ze vaak en hard en graag ‘Oh my God!’, bij voorkeur als er net een trailer ter grootte van een zwembad weg is gereden voor hun nieuwe huis, dat een team van specialisten met perfect gemanicuurde nagels en prodentwitte tanden vanaf de grond heeft opgebouwd nadat het vorige exemplaar professioneel was gebulldozerd. Dat kan in Amerika, want daar zijn alle huizen toch van bordkarton.
Maar ik heb het eigenlijk over de manier waarop deze hysterie zich heeft verplaatst naar internet, op websites, blogs en Twitter. In het land waar roddelkoning Perez Hilton meer aanzien heeft dan de president, wordt bijna elke scheet getwitterd of geblogd, lijkt het wel. Des te moeilijker wordt het daardoor om de informatie te vinden die er echt toe doet. Want hoe onderscheid je je als Amerikaanse blogger van de miljoenen andere Amerikaanse bloggers die dezelfde flauwe stukjes schrijven over films, sterren en scheten (het liefst een combinatie van die drie)? Read the rest of this entry »
juni17
Meedoen aan een voetbalpoule is net als de barbecue aansteken en ramen zemen (afgaande op de glazenwassers die ik in mijn leven ben tegengekomen) echt iets voor mannen. Normaal interesseert het aanvallende spel van Urugay ze geen bal, maar tijdens het WK Voetbal zijn alle mannen ineens getransformeerd in volleerde voetbalcommentatoren, kijken ze alle sportjournaals en zeggen ze dingen als: “Dus jij denkt dat Chili met 2-1 wint van Honduras? Echt niet jongen, Honduras wordt de ontdekking van dit WK!”
Terwijl je helemaal geen tweede Frank Snoeks hoeft te zijn om als winnaar van de voetbalpoule uit de bus te komen. Iedereen kan wel een rijtje getallen invullen. Kansberekening en voetbalkennis heb je daar in elk geval niet bij nodig, hooguit een dosis gezond verstand om in te kunnen schatten dat Duitsland waarschijnlijk wel van Australië zal winnen. En gelukkig krijg je in een voetbalpoule al punten als je goed hebt gegokt wie er gaat winnen of verliezen, verder is het raden van de exacte uitkomst vooral nattevingerwerk.
Tijdens dit WK ben ik erachter gekomen dat ik best wel goed ben in zulk nattevingerwerk. In de bedrijfspoule sta ik namelijk bijna bovenaan. Vanuit bovenstaande argumentatie is het een beetje hypocriet om daar trots op te zijn, maar een beetje stoer vind ik het wel, om als een van de weinige vrouwelijke deelnemers van de poule zo hoog te staan. Read the rest of this entry »
april10

Het schijnt een onmisbare ervaring in je jongvolwassenheid te zijn: een lange reis maken in het buitenland. En dan niet zomaar een zonvakantie naar Salou natuurlijk. Nee, een beetje reislustig type gaat met z’n backpack in Thailand op zoek naar zichzelf of een schooltje bouwen in Kenia. Want een periode zandhappen in de woestijn of peentjes zweten in de jungle staat goed op je CV. Of je nou een 17-jarige schoolverlater bent of een 33-jarige accountant die even niet meer zo goed weet wat ie wil in het leven; maak een reis en kom terug als een ander mens, is het idee.
Terwijl iedereen die op reis is geweest, altijd met dezelfde verhalen thuis komt. Meestal bevatten die verhalen de volgende ingrediënten: ‘het was echt supermooi, maar wel heel arm, maar toch zijn de mensen heel gastvrij en gelukkig, alleen zijn er wel veel insecten en ik ben een paar keer heel ziek geweest van het eten en het verkeer was heel chaotisch en de mensen zijn heel klein en iedereen wilde aan mijn haar zitten!’. Waarom zou je voor zo’n ervaring de halve wereld afreizen? Waarom zou je graag iets willen meemaken wat iedereen al heeft meegemaakt? Read the rest of this entry »
april1
Het komt regelmatig voor dat ik mij moet verantwoorden voor het feit dat ik Clouseau leuk vind. Dat gaat meestal zo: ‘bestaan die nog dan? Die zijn toch van Daar gaat ze enzo? Oja, die vond ik ook heel leuk, tien jaar geleden’. En dan moet ik diegene vertellen dat ze nog steeds leven, nog steeds heel veel vrouwelijke fans hebben en nog steeds aan de top van de Vlaamse popscene staan omdat er simpelweg geen beter alternatief is. En als de persoon in kwestie Clouseau helemaal niet kent (want geboren na 1990 of gewoon geen fan van romantische liedjes en diepbruine ogen) zeg ik altijd: ‘Clouseau is zeg maar de Nick & Simon van België’.
Ik vind het stiekem best leuk om fan te zijn van een groep die iedereen in Nederland al lang vergeten is, alsof ik het best bewaarde geheim van België heb ontdekt. Wat helemaal niet waar is, want in België kun je geen tv-zender aanzetten zonder Koen Wauters tegen te komen en geen radio luisteren zonder een van de nieuwste Clouseauliedjes te horen. (die overigens in de verste verte niet meer lijken op de Domino’s en Anne’s die de band in de jaren ’90 groot hebben gemaakt, maar dat terzijde). (Als je eenmaal de status van Clouseau heb bereikt kun je zelfs een scheet uitbrengen op cd en daar een platinum plaat voor krijgen). Read the rest of this entry »
maart11
Je kunt het zo gek niet bedenken of je kunt het verzamelen. Postzegels, flipperkasten, hamsters, Clouseau cd’s en andere dingen waar geen mens op zit te wachten. Er is op Marktplaats zelfs een aparte categorie voor ‘KLM-huisjes’, wat dat ook mogen zijn.
Toen ik klein was spaarden we vooral flippo’s en knikkers. Die werden niet netjes onderling geruild, nee, daar werd in competitievorm keihard om gespeeld. Daarom besloot onze juf in groep 5 een ruilmarkt te organiseren in de klas. Iedereen mocht dubbele voorwerpen uit zijn of haar verzameling meenemen en ruilen voor dingen uit andermans verzameling. En dan ging het niet alleen om flippo’s en knikkers, maar om knuffels, treinen, pennen en dingen met Jip en Janneke opdruk bijvoorbeeld.
Leuk idee. Alleen – ik spaarde niks. En als je niks spaart kun je ook niks ruilen. Ik had dus een serieus probleem. Waar haal je snel een verzameling vandaan? Ik besloot a l’improviste stenen te verzamelen. Dat kan heel leuk zijn. Maar niet als het resultaat na een rondje over het plein 3 waardeloze keien en een stuk stoeptegel is. Toch nam ik mijn ‘verzameling’ de volgende dag mee naar school om op mijn tafeltje te presenteren aan de klas. Ik kan niet zeggen dat het storm liep. De tafeltjes met trollen (van die poppetjes met ontploft haar in alle kleuren van de regenboog) en bubbelpennen waren het populairst. Mijn stenen zouden me geen fortuin opleveren. Maar ik wilde natuurlijk niet met lege handen en 4 stenen in m’n rugzak huiswaarts keren.
Dus ik moest en zou zo’n plastic bubbelpen hebben, met daarin een goedje dat leuk heen en weer klotste als je ermee schreef. De eigenaresse van deze curieuze verzameling keek daarop met een meewarige blik naar mijn geïmproviseerde stonehenge en ging uiteindelijk akkoord: 1 ronde kei voor een groene bubbelpen. Ik blij, de eigenaresse van de pennenverzameling en 1 steen iets minder. Misschien had ik er wel bij verzonnen dat de stenen uit Zuid-Frankrijk kwamen en heel bijzonder waren, dat weet ik niet meer. Op die manier kun je zelfs konijnenkeutels verkopen alsof het snoepjes zijn. Dus meer dan een beetje fantasie en een overtuigende glimlach heb je bijna niet nodig om een lucratief handeltje op te zetten: who needs Marktplaats anyway?
maart2
Ik ben wel de l
aatste persoon om te zeggen dat de sportschool een modeshow is, maar je kunt ook doorslaan in het uitzoeken van sportkleding in de categorie ‘waar ik me lekker in voel’. ‘Maar het verhult zo mooi mijn probleemgebieden!’ Duh, zo’n vormeloos shirt XXL maakt van de meest anorectische gevallen nog een zoutzak.
Laten we eerlijk zijn, we gaan natuurlijk alleen maar naar de sportschool om een paar redenen: ten eerste om onszelf het gevoel te geven dat we gezond bezig zijn. Zo, vanavond weer 2 uur in de sportschool geweest! Ja, waarvan een half uur in de sauna en een uur aan de bar. Goed bezig! En we moeten toch iets doen om bezig te blijven, zodat we net als al die andere mensen kunt zeggen dat we toch zo druk – druk – druk zijn.
Maar leuk is anders. Dat begint al bij binnenkomst. Eerst word je door alle aanwezige lotgenoten vanaf hun fietsjes en crosstrainers glazig aangekeken als je met je handdoekje in je ene hand en bidon in je andere binnen loopt. En ze blijven kijken, ook als je met het nodige geweld allerlei onduidelijke apparaten aan het instellen bent. Maar als je eenmaal aan het fietsen/roeien/aan onduidelijke apparaten aan het trekken bent, hoor je er ook wel echt bij: je bent part of the club, die meestaart naar andere newby’s die de zaal binnenkomen. Read the rest of this entry »
februari15
Ik zou een slechte trendwatcher zijn. Als je mij 5 jaar geleden had gevraagd of het ooit iets zou worden met YouTube had ik je waarschijnlijk hard uitgelachen. De naam alleen al! Wie noemt zijn site nou ‘Youtube’? Dat bekt toch niet? Waarom heet het niet gewoon ‘videosite.com’ of zoiets? Dat klinkt veel logischer.
Is het je trouwens wel eens opgevallen hoe verschillend mensen ‘Youtube’ uitspreken? Een beetje nerd zegt het op zijn Amerikaans: ‘youtoeb’. Maar de meeste mensen fietsen er een ‘j’ in en spreken het uit als ‘joetjoep’ (meer dan 27.000 resultaten in Google trouwens).
En toch is YouTube net als Google en Hyves zo ingeburgerd dat het een werkwoord is geworden: even YouTube’en. Oké, dat is inderdaad wel iets makkelijker te vervoegen dan videosite (ik videosite, jij videositet, wij videositen?). Maar dan nog; wie gaat er voor de lol naar amateuristische homevideo’s van andere mensen kijken, dacht ik destijds. Read the rest of this entry »
januari25
Vroeger, toen je het onderwerp voor je jaarlijkse spreekbeurt op de basisschool nog uit zo’n informatieboekje uit de bibliotheek haalde en niet van Google, moest je als kind je werkstuk of spreekbeurt van a tot z uitschrijven. Je kon wel smokkelen door de teksten uit die boekjes letterlijk over te nemen, maar het leukst was toch de reactie van de meester als hij zei dat hij de stukjes die je zelf geschreven had het leukste vond om te lezen. Je was warempel ergens goed in!
Een paar jaar later ging je bij de schoolkrant van je middelbare school – je moest ergens beginnen – en schreef stukjes voor andere obscure blaadjes. Verslagen, recensies en andere teksten poepte je er achter elkaar uit, terwijl de rest van de klas zat te persen om er ook maar een alinea uit te krijgen. Ondertussen verbeterde je je vrienden waar het maar kon (‘neehee, het is groter dan, niet groter als!’) en opeens wist je het: ik word journalist. Read the rest of this entry »
januari16
Ik zou
veel meer moeten schrijven, bedenk ik me als ik naar de Linkedin-pagina’s van mijn oud-studiegenoten en hun ‘connections’ kijk. De een freelancet voor tig verschillende bedrijven en tijdschriften, de ander is zelfs bezig met een boek. Niet dat ik zo slecht bezig ben, helemaal niet: ik heb een best indrukwekkend portfolio op mijn website staan en als multimediaredacteur bij een omroep zit ik ook helemaal niet verkeerd.
Maar ik schrijf minder dan dat ik zou willen, en nu er in de begroting op mijn werk maar 1 uur per week is vrijgemaakt voor het maken van nieuwe content zoals dat heet, schrijf ik niet meer dan een paar Twitterberichtjes voor de Beeldbank of MediaMind per week, à 140 tekens per stuk. Tel uit je winst.
En ik vind het moeilijk om zonder aanleiding gewoon in het wildeweg te gaan schrijven. Er moet echt ergens een oproep staan in een krant of op een website om een stuk te schrijven voor de een of andere wedstrijd wil ik eindelijk de pen weer eens oppakken. In mijn documenten op m’n computer staan zelfs nog een stuk of tien nooit afgemaakte columns en artikelen te verstoffen. Af en toe begin ik vol goede moed aan het schrijven hele ad remme stukjes, met van die lekkere korte zinnen en cynische grapjes, trucjes die ik heb afgekeken van andere columnisten. Maar zodra ik er een bevredigend eind aan probeer te breien is mijn inspiratie op, moet de hamster gevoerd worden of staat de postbode voor de deur.
Kortom, ik vind altijd wel een excuus om het niet af te maken. Misschien komt dat doordat ik onbewust altijd probeer vast te houden aan een bepaalde structuur. Ik bedenk voordat ik een recensie of sfeerverslag ga schrijven nooit hoeveel alinea’s ik ga besteden aan het beschrijven van de voorstelling of het citeren van mensen, maar zodra ik overga op een ander genre, zoals de column, denk ik toch in witregels, tussenkopjes en topische zinnen.
Misschien leg ik de lat voor mezelf wel te hoog. Ik bedoel, de meeste tekst op internet bestaat uit reclame en geleuter, dus daar doe ik al niet voor onder. En het is niet alsof mijn stukjes in de krant komen, wat mijn faalangst zou kunnen rechtvaardigen. Misschien ben ik gewoon bang om de 40 bezoekers die mijn website dagelijks bezoeken teleur te stellen. Dat ze denken ‘nou nou, heeft die Marjolein niets beters om over te schrijven dan haar hamster?’. Dat wil ik natuurlijk ook niet. Maar het is allicht beter dan helemaal niet te schrijven. Dat staat zo suf, heb ik nota bene een weblog met naast elke post de datum prominent in beeld, duurt het soms weken of maanden voor er iets nieuws op staat. Dat moet anders kunnen. Heb ik toch nog een goed voornemen voor 2010.