Marjolein Knuit

Tag: recensieburger

Eetfoto’s

Wat? Foto’s van eten
Waar? Op Facebook en zo

Eten is om op te eten. Toch heeft half Nederland sinds Facebook, Twitter en Instagram de ontembare behoefte om elke bal gehakt op de foto te zetten. Ik doe het zelf ook wel eens, maar alleen als het echt, echt, echt heel lekker was en er echt, echt, echt heel mooi uitzag.

Eetfoto’s zijn er volgens mijn totaal niet-representatieve steekproef in drie categorieeën. De stomste eetfoto’s zijn de foto’s die gemaakt zijn door mensen die niet eens weten hoe ze een camera vast moeten houden. Of hoe ze de flits uit moeten zetten. Ze denken een mooie close-up te maken van hun met parels versierde cupcake. Het resultaat is een overbelichte bende die nog het meeste weg heeft van een fluorescerende muppet.

Voor die mensen is Instagram uitgevonden. Met een mooi filter en een goedgeplaatste blur ziet zelfs het onduidelijkste hoopje hutspot er nog appetijtelijk uit. Eetfoto’s in de cateogrie ‘leuk geprobeerd maar daar trappen we natuurlijk niet in’.

Eigenlijk wil iedereen dat zijn eetfoto’s eruitzien als de foto’s in een Delicious of Allerhande. Inclusief een rustiek tafeltje, geruit servet, foodstyling en alles. In die tijdschriften ziet zelfs een kom doodgewone groentesoep eruit als een culinair hoogtepunt.

Zulke eetfoto’s krijgen van mij 5 sterren. 1 ster aftrek voor de overbelichte muppetfoto’s en een halve ster voor de zogenaamd maar eigenlijk toch niet zo mooie instagrams. Ja, ik ben zo streng als een Michelin-inspecteur. Maar 3,5 ster is nog altijd een halve ster meer dan het beste sterrenrestaurant van Nederland.

Huidkleurig ondergoed

Wat? Oma-lingerie
Waarom? Omdat het niet alleen voor oma’s is

Bij huidkleurig ondergoed denk je misschien gelijk aan je oma of Bridget Jones, maar die oudewijvenreputatie is zwaar onterecht. Hoe lelijk, a-sexy en jakkiebah het ook is, huidkleurig ondergoed, of vleeskleurig zoals het officieel heet, zou verplicht moeten worden in de kledingkast van elke vrouw. Maar mannen mogen deze recensie ook lezen hoor.

Iedere vrouw weet dat je onder een wit T-shirt geen zwarte of felgekleurde beha moet aantrekken. En dus doen de meeste vrouwen in zo’n geval meestal een wit exemplaar aan. Met als gevolg dat je de beha dus gewoon ziet zitten. Met een beetje mazzel (of pech) kun je zelfs zien of het een Hunkemöllertje of Marlies Dekkertje is.

Dat komt doordat je huid – en nou komt het –  huidkleurig is. No way! En een witte beha niet. Wat?! En dat verschil zie je door je witte kleding heen. Trek je een beha aan in dezelfde kleur als je huid; probleem opgelost. Superlogisch! Toch zie ik bijna nooit iemand met een huidkleurige beha of string. En in de lingeriewinkel hangt het vleeskleurige assortiment altijd ergens achterin weggestopt. Er hangt nog net geen bordje ‘voor oma’s en andere oude wijven’ boven.

In de modewereld is het dragen van huidkleurig ondergoed helemaal geen schande. Sterker nog, het is verplicht voor modellen die voor het eerst kennis maken met een potentiële opdrachtgever. Heb ik zelf gezien bij Holland’s Next Top Model. Het vieze gezicht dat die meisjes trekken wanneer ze te horen krijgen dat ze hun gestippelde onderbroekjes moeten inruilen voor oma-ondergoed spreekt boekdelen.

Het andere geslacht zal het me misschien niet in dank afnemen, maar ik vind dat huidkleurig ondergoed in ere hersteld moet worden. Ik begin alvast met het geven van 5 sterren.  En nu met z’n allen naar de lingerieafdeling van de HEMA.

Kroepoek met smaakjes

Conimex kroepoek in het schap in de supermarkt
Wat?
De zogenaamd ‘authentieke’ kroepoek van Conimex
Waar? Niet in Indonesië in elk geval
Lekker? Dat wel!

Mijn vriend komt uit een Indische familie. En zoals het een Indische familie betaamt, draait alles om eten. Op verjaardagen en andere feestelijke gelegenheden pakken oma’s en tantes uit met tupperwaredozen vol babi ketjap, sambal goreng boontjes en atjar. Opscheppen, bord op schoot en smullen maar. Alles wordt zelf gemaakt, tot de kroepoek aan toe.

Die zelfgemaakte kroepoek is op en top Indisch, maar lijkt voor geen meter op de kroepoek van Conimex die je in de winkel koopt. Nouja kroepoek, zeg maar gerust kroepoeken. Want er zijn ontieglijk veel soorten kroepoek in omloop tegenwoordig.

Zo heb je bijvoorbeeld kroepoek met Bali-smaak en Java-smaak. Nou heb ik toen ik in Indonesië was geen hapje van de grond genomen, maar ik weet bijna zeker dat Bali-kroepoek niet naar Bali smaakt. Ik weet ook niet of ik daartegen ben ingeënt. En ik kan nog veel meer redenen noemen waarom de kroepoek van Conimex niet authentiek Indonesisch is. Zo stoppen ze in Indonesië volgens mij geen E621 in hun kroepoek.

Maar los daarvan vind ik de kroepoek van Conimex stiekem eigenlijk veel lekkerder dan de echte Indische kroepoek. Soms heb ik voor het eten al een halve zak Java-kroepoek op. Er zit gewoon veel meer smaak aan dan aan die bleke zelfgebakken kroepoekjes. Zijn die E-nummers toch nog ergens goed voor.

Maar ik kan bij mijn aanstaande schoonfamilie natuurlijk niet aankomen met een zak Java-kroepoek van Conimex. Dat is vloeken in de kerk. Iedere Indo weet dat de ketjap manis van Conimex niet eens op ketjap manis lijkt dus de kroepoek met zogenaamd originele smaakjes is bij voorbaat al afgekeurd.

Eigenlijk is de kroepoek van Conimex meer een soort chips, maar kroepoek klinkt gezonder. En Java-kroepoek klinkt behalve gezonder ook nog eens authentieker. Het vrouwtje met het rode jurkje uit de reclame maakt de illusie compleet. En daar wil deze blanda best vier sterren voor geven.

De chinobroek

Wat? Een wortelbroek met laag kruis
Is dat mooi? Nee, maar wel hip

Het was niet bepaald liefde op het eerste gezicht tussen de chinobroek en mij. Dat moet een foutje zijn, dacht ik toen ik voor het eerst een meisje zag lopen in zo’n raar geval. Die heeft zeker een pantalon van haar vader aan of zo. Later begreep ik dat meisjes zoals zij heel bewust broeken kopen die hen optisch 2 maten dikker maakten. En doe ik het zelf ook.

De eerste keer dat ik een chino aanpaste (ongeveer twee weken geleden, modebewust als ik ben), durfde ik het pashokje bijna niet uit. Ik had iets aan wat leek op een uit de kluiten gewassen incontinentieluier. Ja, dat hoort zo he. Zegt dat meisje van de winkel, terwijl ze me met een ernstige blik opnam. Alsof ik serieus van plan was die broek te kopen. Een skinny staat mij (maat 42) nog flatteuzer.

Toch heb ik nu 2 chinobroeken die ik allebei met veel plezier draag. Mijn vriend noemt ze liefkozend pamperbroeken, maar ik voel me er lekker in. Ze zitten supercomfortabel, je hoeft je niet druk te maken om eventuele cameltoe’s en met een paar hakken eronder vergeet je automatisch dat je eigenlijk gewoon een drollenvanger aan hebt.

Telefoongesprekken op de radio

Wat? Dat gekraak op de radio wat een pratend mens blijkt te zijn
Waarom? Inderdaad ja. Waarom?

Voor een medium dat al bijna 100 jaar bestaat, is radio altijd best wel met zijn tijd mee gegaan. Er is een iTunes Top-30, in elke studio hangen webcams en – misschien wel de meest verontrustende ontwikkeling – niemand doet elkaar meer de groetjes op de radio (want Facebook).

Radio is dus verre van dood. Maar er is één radioverschijnsel waarvan ik hoop dat het ooit euthanasie laat plegen: telefoongesprekken op de radio. Want hoewel telefoons zelf steeds futuristischer worden, is de geluidskwaliteit ervan nog even bagger als 50 jaar geleden.

Dan komt er tussen de kraakheldere liedjes ineens een enorm gekraak door je speakers (lang leve de carkit) waar iemand doorheen schreeuwt dat ie graag een plaatje wil aanvragen. Of er moet even naar een bekende Nederlander worden gebeld voor een update zus of een roddel zo, wat altijd klinkt alsof diegene aan de andere kant van de wereld een wedstrijdje blowkarten aan het doen is.

De kroon der irritante telefoongesprekken op de radio wordt trouwens gespannen door de telefoonquotejes in nieuwsbulletins. Die moeten het nieuws zogenaamd toelichten maar in de praktijk voegen die niks toe en bevestigen ze alleen maar wat de nieuwslezer net heeft voorgelezen. Nieuwslezer: ‘de burgemeester vindt het heel erg wat er gebeurd is’. Burgemeester: ‘ik vind het heel erg wat er gebeurd is’. Krakerdekrakerdekraak.

Lieve mannetjes (en vrouwtjes) van de radio: als wij krakende gesprekken willen horen, gaan we wel op bezoek bij onze oma’s in het bejaardentehuis. Wij luisteren naar jullie programma’s als aangenaam achtergrondgeluid, eventueel ingeleid door de zwoele stem van Jeroen Nieuwenhuize.  Pas als telefoongesprekken net zo helder klinken als jullie onderlinge gegeit in de studio mogen jullie op de radio weer bellen naar Albert Verlinde. Als hij tegen die tijd zelf nog niet in een bejaardentehuis zit.

De grote verhuizing

Wat? Een Brits televisieprogramma
Waarom wordt dat in Nederland uitgezonden? Omdat het leuk is

Woonprogramma’s zijn meestal alleen maar interessant voor de mensen die er zelf in zitten. Zij hopen na afloop van de aflevering van drie kwartier een huis te hebben, jij niet. Hoe anders is dat bij het Britse programma De grote verhuizing, met presentatoren slash bemiddelaars slash secret lovers (vermoed ik) Kirsty en Phil. Als het niet altijd zou regenen in Groot-Brittannië zou je er bijna zelf willen gaan wonen.

In ‘De grote verhuizing’ gaan twee presentatoren samen met stelletjes op zoek naar een geschikt huis. Tot zover niet verrassend. Maar Groot-Brittannië zou Groot-Brittannië niet zijn als er tussen de potentiële huizen geen 17e-eeuwse kasteeltjes, boerderijtjes en landhuizen zouden zitten. En dat voor prijzen waarvoor je in Nederland misschien een studio in Utrecht Overvecht koopt.

In Nederland hebben we ook zo’n soort programma,‘Huizenjacht’. Net als ‘De grote verhuizing’wordt dit uitgezonden door SBS6. Maar in tegenstelling tot het Britse programma, is ‘Huizenjacht’ voorspelbaar, zit het vol met makelaarspraatjes en wordt er vooral gezocht naar nieuwbouwhuizen in Veenendaal en tweekamerappartementjes in Apeldoorn. Boring! Maarja, er staan in Nederland nou eenmaal niet zo veel 17e-eeuwse kasteeltjes, boerderijtjes en landhuizen te koop. Dus kijken we mee met stelletjes die drie grijzemuizenhuizen bezichtigen die aan hun belangrijkste eisen voldoen. Bijvoorbeeld dat er een dak op zit. Ze krijgen een rondleiding door het huis, vinden alles mooi en aan het einde drinken ze altijd champagne, ook al weet niemand of er ook daadwerkelijk een huis gekocht gaat worden.

Dat is juist wat ‘De grote verhuizing’ zo spannend maakt: er wordt bijna altijd wat gekocht. Want er is altijd wel iemand zwanger of zijn huis uit gezet waardoor het vinden van een nieuw huis urgente business is. Kirsty en Phil zijn druk aan het bellen, Kirsty en Phil hangen flyers op, Kirsty geeft Phil een pets op zijn Britse kontje. En als er uiteindelijk een keus gemaakt is, ben je als kijker getuige van het spannende moment waar Kirsty en Phil samen met de woningzoekenden in de pub op het telefoontje van de makelaar wachten met het verlossende woord: is het bod geaccepteerd?

Zo dichtbij komt het kopen van een huis in een tv-programma zelden. Bij ‘Huizenjacht’ in elk geval niet. Maar het grootste pluspunt van ‘De grote verhuizing’ is dat je als kijker niet het gevoel krijgt dat het programma al een zoektocht heeft uitgestippeld die alleen nog moet worden afgelegd. Er is ruimte voor spontaniteit en de woningzoekende zijn mensen van vlees en bloed, geen figuranten in het door de zender bedachte format. Ik wou dat ik een huis zocht in Groot-Brittannië.

Geocaching

Wat? Een soort schatzoeken
Waar dan? Overal, behalve in Noord-Korea waarschijnlijk
Wie doet dat? 5 miljoen mensen wereldwijd

Het klinkt heel underground, maar eigenlijk is geocaching gewoon een volwassenen variant op het aloude schatzoeken. Maar dan met een gps-ontvanger in plaats van stoepkrijt.

De eerste keer dat ik een schat vond met geocaching was magisch. Niet vanwege de omvang van de schat, want die was niet groter dan een fotorolletje, maar toch, het was wel een fotorolletje dat verstopt was op een plek in mijn woonplaats, waar ik al 1000 keer voorbij was gelopen. Stond ik daar ineens schichtig om me heen te kijken of er niemand was die me zag. Toen ik daar zeker van was, kon ik het busje pakken, mijn naam en de tijd van het vinden op het papiertje zetten en gauw weer verstoppen. En weer onopvallend doorlopen.

Er zijn geocaches in alle soorten en maten. Gelukkig bestaat er een heel netwerk van geocachers dat al die schatten in kaart heeft gebracht op www.geocaching.com. Sommige caches bestaan alleen uit coördinaten waar je de schat kunt vinden. Voor andere moet je meer moeite doen en bijvoorbeeld een puzzel of raadsel oplossen. Maar in zulke gevallen is de schat die je vindt vaak ook wat groter, bijvoorbeeld een kistje met allemaal actiefiguurtjes en andere poppetjes uit de Albert Heijn spaaracties van de afgelopen 20 jaar.

Geocachen doe je dus niet voor de schat, je doet het voor de kick. De kick van het stiekem iets vinden waarvan gewone mensen (door geocachers ‘dreuzels’ genoemd, net als in Harry Potter, want geocachers hebben toverkrachten) het bestaan niet weten.  De meeste caches liggen dan ook niet voor het grijpen maar zitten verstopt in holle bomen, onder een tegel of zitten met een magneet ergens aan vast. En dat maakt het juist zo spannend. Ik heb wel eens een uur rond een informatiebord waar niks op stond heen gedraald omdat er ergens in dat bord een nano-cache verstopt moest zitten.

Niet dat ik inmiddels een die-hard schatzoeker ben, hoor. Maar als we naar een onbekende stad in binnen- of buitenland gaan, kijk ik altijd wel even of er wat te cachen valt. Maar zodra er rekenmachines en landkaarten aan te pas moeten komen, haak ik af. Het moet wel leuk blijven. Je hebt er trouwens niet per se een gps-apparaat voor nodig, er is ook een app voor je smartphone. Hoe cool is dat, dat je een radar op je scherm tovert waarop staat dat je nog 7 meter in noordoostelijke richting moet lopen om de schat te vinden? Ik krijg er altijd zo’n Bassie & Adriaan en de geheime opdrachtgever-gevoel van. http://cgeo.carnero.cc/

Paaskaarten sturen

Wat? Een soort kerstkaart, maar dan met Pasen
Waarom? Omdat je iemand fijne paasdagen toewenst denk ik
Wie doet dat? Niemand volgens mij

Iedereen doet wel iets met Pasen. Meestal betekent ‘iets’ eieren schilderen, met de ene helft van Nederland naar de Ikea of met de andere helft naar het strand. Maar wat ik nog niemand heb zien doen is paaskaarten sturen. Ik heb er althans nog nooit een gekregen.

Hoewel ik Pasen een leukere feestdag vind dan Kerst (want dan zit je maar in je goeie goed aan de keukentafel de hele dag spelletjes te doen) zou het nooit in me opkomen om iemand een paaskaart te sturen. Maar ze bestaan dus wel, zag ik toen ik langs de Ako liep. Een heel rek vol kaarten van kuikentjes en konijntjes. Liehief! Maar hallo, Pasen is toch geen dierendag? Met Pasen herdenken we (de christenen in elk geval) dat Jezus na drie dagen in een slecht geventileerde tombe te hebben gelegen, opstond uit zijn graf. Maak daar maar eens een vertederende illustratie bij, Hallmark!

Maar nee dus, we moeten het doen met dat ene rek gele dierenkaarten. Maar, lieve kaartverkopers, wat moeten we daarmee als de praktische randvoorwaarden ontbreken? Bestaat er zoiets als paaszegels die goedkoper zijn dan de gewone postzegels? Nee. Bestaan er ophangsystemen waarin je je ontvangen paaskaarten tentoon kunt stellen? Nee. Slecht over nagedacht weer.

Bovendien bestaat er geen lekker lopende paasgroet die je op je kaart kunt schrijven. Iets wat net zo lekker bekt als ‘prettige kerstdagen en een gelukkig nieuwjaar’. De enige optie is misschien ‘vrolijk Pasen en een gelukkig voorjaar’, maar erg overtuigend klinkt dat niet.

Pasen is, ondanks alle aandacht in Allerhande en aanverwante bladen, een beetje een tweederangs feestdag. En wie stuurt er nou een kaart naar iemand ter ere van een tweederangs feestdag? Dat is alsof je iemand feliciteert met zijn overleden hamster. Ik geef paaskaarten sturen twee sterren. Omdat het wel altijd leuk is om een kaart te krijgen en omdat ik konijnen toevallig lief vind.